Toen geloof en ethiek onafscheidelijk waren
Toen de Profeet naar de stad Makkah werd gestuurd, was de morele toestand van zijn volk zeer vernederend. Om dit te begrijpen hoeven we alleen maar te letten op de smeekbede van de Mekkaanse metgezel Ja’far Ibn Abî Tâlib toen hij in Abessinië landde op zoek naar asiel en oog in oog kwam te staan met de koning ervan. Toen deze hem vroeg naar de aard van de boodschap die werd verkondigd door de Boodschapper van God, Mohammed Ibn ‘Abd Allah , zei hij tegen de koning:

“Edele koning! Wij waren een volk uit de tijd van de Jâhiliyya (onwetendheid). Wij aanbaden afgoden, aten dode dieren, begingen zedeloze daden, verbraken familiebanden, behandelden onze buren slecht, en de sterksten onder ons onderdrukten de zwakkeren. Zo leefden wij, totdat Allah ons een Profeet en Boodschapper zond uit ons midden. Wij kennen zijn afkomst, zijn waarheidlievendheid, zijn eerlijkheid en zijn integriteit. Hij riep ons vervolgens op om ons tot Allah te wenden, Hem alleen te aanbidden en niets anders naast Hem te vereren. Hij gebood ons om afstand te nemen van wat wij en onze voorouders aanbaden buiten Allah, zoals stenen en afgodsbeelden. Hij droeg ons op om waarheidsgetrouw te spreken, toevertrouwde bezittingen correct terug te geven, onze familiebanden te onderhouden, vriendelijk te zijn, en eer en bloed te beschermen.[d’autrui]
Hij verbood ons ook onzedelijke daden, leugens, het verkwisten van het bezit van wezen en het belasteren van kuise vrouwen…”


















